150 jaar Van Dale. Een kleine duik in de geschiedenis.

In 1864 verschijnt het 'Nieuw Woordenboek der Nederlandsche taal', samengesteld door I.M. Calisch en N.S. Calisch. De naam Van Dale komt in de titel dus nog niet voor. Die duikt echter al snel daarna op in de geschiedenis van het woordenboek, want in 1867 krijgt Johan Hendrik van Dale, onderwijzer in het Zeeuws-Vlaamse Sluis, het verzoek om dit woordenboek te bewerken. Hij neemt die opdracht behoorlijk serieus: hij herziet vele omschrijvingen en breidt het boek sterk uit. In 1872 is werk zo goed als af en beginnen de eerste afleveringen te verschijnen (zo ging dat toen nog). Volgens de titelpagina bevat het woordenboek naast 'de meest gebruikelijke woorden, spraakwendingen en spreekwoorden' ook 'de bastaardwoorden, die of reeds het burgerrecht hebben verkregen of vrij algemeen worden gebezigd' en 'de meeste kunstwoorden' – die laatste zouden we tegenwoordig vaktermen noemen.

Het door Van Dale zelf bewerkte woordenboek geldt tegenwoordig als de tweede druk van het Van Dale Groot woordenboek der (later: van de) Nederlands(ch)e taal. Die titel – met daarin de naam van de auteur – wordt overigens pas gebruikt sinds de vierde druk van 1898. Inmiddels is het (papieren) woordenboek toe aan de 14e druk, uit 2005. Daarna zijn nog wel digitale updates verschenen.

Lang heeft Van Dale niet kunnen nagenieten. In hetzelfde jaar 1872 sterft hij, nog maar 44 jaar oud, aan de pokken. Andere tijden.