Veelgestelde vragen aan de redactie

Wanneer komt een nieuw woord in het woordenboek?

Dit woord staat niet in het woordenboek. Is het geen goed Nederlands?

Waarom staan er scheldwoorden, schuttingwoorden en vloeken in het woordenboek?

Profielwerkstuk Neologismen

Een kijkje in de keuken van de lexicograaf

Toelichting bij de 14e editie van de Grote Van Dale

Wat zijn de verschillen tussen de Grote Van Dale en het Van Dale Groot woordenboek hedendaags Nederlands?

Ik overweeg om een vertaalwoordenboek te kopen. Raad je me een Groot woordenboek aan of een Middelgroot woordenboek?

 

Wanneer komt een nieuw woord in het woordenboek?

Een woord wordt opgenomen in de Grote of Dikke Van Dale als de redactie dat woord gedurende langere tijd (ongeveer drie jaar) regelmatig aantreft in het (schriftelijk) algemeen taalgebruik. Daarvoor doorzoekt de redactie voornamelijk digitale teksten (kranten, tijdschriften, boeken, internet). Deze teksten moeten bedoeld zijn voor een ruimer publiek en ze moeten gemakkelijk toegankelijk zijn voor veel mensen. Dat betekent dat woorden die alleen gebruikt worden in een bepaald vakgebied, in bepaalde kringen of in een bepaalde regio, niet worden opgenomen. Dus als een woord bijvoorbeeld alleen gebruikt wordt door een bepaalde beroepsgroep of alleen bij een bepaalde sportclub of alleen in een klein deel van Nederland of België, dan komt het woord niet in de Dikke Van Dale. Het woord moet algemeen bekend zijn, het moet ingeburgerd zijn. Voor nieuwe uitdrukkingen geldt hetzelfde.

Suggesties voor nieuwe woorden zijn altijd welkom via ons reactieformulier voor de Van Dale-redactie. De hoofdredactie bepaalt of een woord daadwerkelijk in het woordenboek komt. Over de uitslag kan helaas niet worden gecorrespondeerd.

Dit woord staat niet in het woordenboek. Is het geen goed Nederlands?

Als een woord niet in een woordenboek of woordenlijst staat, wil dat niet zeggen dat het woord fout is of niet bestaat.

In het Nederlands kun je heel gemakkelijk woorden aan elkaar 'plakken' en zo nieuwe woorden maken. Bijvoorbeeld voetbalschoenvetergaatje. Het is onbegonnen werk om alle mogelijke woorden op te nemen in een woordenboek of woordenlijst. Een redactie moet daarom keuzes maken.

Zogenaamde 'doorzichtige samenstellingen' worden niet als trefwoord opgenomen in het woordenboek. Een samenstelling is doorzichtig als de betekenis van het geheel eenvoudig is af te leiden uit de afzonderlijke delen (die wel in het woordenboek staan). Een woord als afstellingsmogelijkheid is niet opgenomen, omdat de samenstellende delen afstellen, -ing en mogelijkheid wel zijn opgenomen.

Waarom staan er scheldwoorden, schuttingwoorden en vloeken in het woordenboek?

Het belangrijkste uitgangspunt van de redactie is dat zij niet wil voorschrijven welke woorden mensen wel of niet mogen gebruiken, zij wil alleen beschrijven welke woorden in de taal van alledag gebruikt worden. Zo lang mensen een woord (hoe aanstootgevend ook) in een bepaalde betekenis gebruiken, zullen andere mensen die betekenis willen opzoeken en zal een zichzelf respecterend woordenboek die betekenis vermelden.

Dat wil niet zeggen dat elk nieuw verzonnen woord in het woordenboek wordt opgenomen. Nieuwe woorden en uitdrukkingen moeten gedurende ten minste drie jaar met een zekere regelmaat worden aangetroffen in boeken, kranten, tijdschriften, internet of op radio of televisie of in gesprekken worden gehoord.

Bij scheldwoorden, vloeken, schuttingtaal en dergelijke wordt een label (vulgair, beledigend, informeel enz.) gegeven, zodat gebruikers van het woordenboek kunnen zien dat het geen neutraal woord betreft. Uiteindelijk bepalen mensen zelf of ze zo’n woord wel of niet willen gebruiken.

Profielwerkstuk Neologismen

In het Nederlands is het heel erg gemakkelijk om nieuwe woorden te maken. Je plakt twee bestaande woorden aan elkaar en je hebt iets nieuws: voet + bal = voetbal, voetbal + schoen = voetbalschoen, voetbalschoen + veter = voetbalschoenveter, voetbalschoenveter + gaatje = voetbalschoenvetergaatje. Die laatste twee woorden staan niet in de woordenboeken, maar zijn evengoed prima Nederlands.

Er worden dagelijks nieuwe woorden gemaakt, denk bijvoorbeeld aan het woord spitsalarm dat eind 2008 door de ANWB is bedacht. Misschien maak je zelf ook weleens op die manier een nieuw woord, bijvoorbeeld tussenjas, voor een jas die geen zomer- of winterjas is, maar iets ertussenin, voor de lente of de herfst. Of je maakt van een zelfstandig naamwoord een werkwoord, zoals ooit computeren is gemaakt van computer. De mogelijkheden zijn eindeloos.

Zo'n nieuw woord wordt meestal niet onmiddellijk in de woordenboeken opgenomen. Wat de Grote of Dikke Van Dale betreft, wordt een woord opgenomen als het gedurende circa drie jaar regelmatig wordt aangetroffen in het (schriftelijk) algemeen taalgebruik. Een woord moet dus gedurende een aantal jaren regelmatig voorkomen in kranten, tijdschriften, op radio en tv en op internet. Deze media moeten bedoeld zijn voor en gebruikt worden door een ruimer publiek. Woorden waarvan het gebruik beperkt is tot een bepaald vakgebied, bepaalde kringen of een bepaalde regio, worden dan ook niet opgenomen. Voorbeeld: woorden die alleen in de entomologie (insectenkunde) voorkomen, of alleen bij hockeyers of alleen op Terschelling worden niet opgenomen. Er moet sprake zijn van een zekere mate van verspreiding en van inburgering.

In de Grote of Dikke Van Dale worden oude of verouderde woorden niet snel geschrapt. Dat woordenboek wil namelijk het Nederlands van de laatste 150 jaar beschrijven, zodat mensen van nu nog steeds de teksten van 100 jaar geleden kunnen lezen. Woorden als afpadig, briezelen, kwips en maaltand worden om die reden nog steeds gehandhaafd. Het eendelige Van Dale-woordenboek Hedendaags Nederlands wil het Nederlands van na de Tweede Wereldoorlog beschrijven. De redactie van dat boek zal daarom veel sneller besluiten tot schrapping van verouderde woorden.

Het succes van een nieuw woord is vaak afhankelijk van de media, omdat die meestal een groot bereik hebben. Als bv. (bekende) journalisten of programmamakers een woord oppikken en gaan gebruiken, leren veel lezers en kijkers dat woord kennen en gaan ze het ook gebruiken. Ook de overheid heeft een groot bereik: toen een aantal jaren geleden het belastingstelsel werd herzien, werden de 'schijven' afgeschaft en vervangen door 'boxen'. In één keer maakten miljoenen belastingbetalers kennis met het woord box in een nieuwe betekenis, het was onmiddellijk ingeburgerd.
En ook als er een nieuw product op de markt komt dat veel mensen graag willen hebben, zoals een walkman in de jaren 80 of recenter een iPod of plasma-tv, raakt het woord voor zo'n nieuw product snel ingeburgerd.

Overigens bestaat er geen officiële Nederlandse taal, alleen een officiële spelling. Een woord dat niet in een woordenboek staat, is dan ook niet per se fout. Neem het woord stoeptegel. Prima woord, maar niet in de Grote Van Dale om de eenvoudige reden dat het geen uitleg nodig heeft. Als je namelijk weet wat een stoep is en wat een tegel is (woorden die wel in het woordenboek staan), kun je zelf bedenken wat een stoeptegel is. Een woordenboek is nooit groot genoeg om alle mogelijke woorden op te nemen, daarom vallen dit soort 'doorzichtige' woorden buiten de boot.

Een kijkje in de keuken van de lexicograaf

Het maken van een woordenboek, of dit nu in papieren of digitale vorm is, is het maken van keuzes: de ruimte is beperkt, terwijl het aantal woorden van een taal in principe oneindig is – denk alleen maar aan de oneindige verzameling getallen: voor ieder getal is er een telwoord. Daarom hanteren we een aantal selectiecriteria.

Allereerst wordt de periode afgebakend. Voor de Grote Van Dale is dit ca. 1880 tot heden. Daarbinnen kijken we onder meer naar frequentie en verspreiding van een woord. Het moet een bepaalde tijd (doorgaans zo'n drie jaar) voorkomen in het algemene taalgebruik, dus niet in uitsluitend vaktalige kringen, en het moet in diverse bronnen worden aangetroffen – boeken, kranten, tijdschriften, enz.

Er is een restrictie met betrekking tot zogenaamde 'doorzichtige samenstellingen'. Deze worden niet opgenomen als de betekenis van het geheel eenvoudig is af te leiden uit de afzonderlijke, wel in het woordenboek opgenomen delen.

Daarnaast bevat de Grote Van Dale voor- en achtervoegsels als ingang, zodat de gebruiker van het woordenboek gemakkelijk de betekenis kan vinden van een onbekend woord dat volgens een bekend procedé is gevormd.
En natuurlijk hanteert Van Dale bepaalde, algemene woordenboekconventies, zoals dat meervouden en verkleinvormen in principe niet afzonderlijk als trefwoord worden opgenomen.

Dat een woordenboek in een meerjarige cyclus verschijnt, betekent dat het op sommige gebieden wat kan achterlopen. Ook dit is een reden dat niet alle woorden in het woordenboek staan. Maar dit kan ook komen doordat er woorden uit het woordenboek verdwijnen, bijvoorbeeld omdat ze niet of nauwelijks meer worden gebruikt.

Toelichting bij de 14e editie van de Grote Van Dale

Van Dale en zijn woordenschat.

Wie de 14e editie van de Grote Van Dale vergelijkt met zijn allereerste voorvader, Calisch & Calisch uit 1864, ziet een aantal opvallende verschillen. Werden in Calisch & Calisch niet alleen woorden verklaard, maar vooral ook veel afleidingen en samenstellingen vermeld maar niet gedefinieerd – in de 14e editie van de Grote Van Dale zijn dergelijke attestaties oftewel ongedefinieerde trefwoorden niet meer te vinden. In het laatste decennium is de Grote Van Dale uitgegroeid tot een betekeniswoordenboek pur sang met in het boek een kleine 225.000 trefwoorden met behandeling, die gezamenlijk bijna 309.000 betekenissen hebben. Daarmee geeft de Grote Van Dale de meest uitvoerige beschrijving van de Nederlandse woordenschat uit de periode van circa 1880 tot heden.

De Grote Van Dale beperkt zich tot de beschrijving van verklaringsbehoeftige taalvormen die tot de algemene woordenschat behoren. De beperking tot verklaringsbehoeftige taalvormen houdt in dat in het woordenboek geen uitputtende verzamelingen afleidingen en samenstellingen worden vermeld waarvan de betekenis in feite doorzichtig is. In het woordenboek zijn bijvoorbeeld samenstellingen als aardbeiengelei, aardbeienjam, aardbeienkweker niet als zelfstandige ingang opgenomen, omdat het betekenispatroon van deze samenstellingen regelmatig is. Wie eenmaal weet hoe de samenstellende delen in een samenstelling van het type aardbeienjam zich tot elkaar verhouden, behoeft geen nadere verklaring van dit woord. Wel wordt bij het grondwoord jam het betekenispatroon van de samenstellingen met dit woord beschreven: "ook als tweede lid in samenst. als de volgende, waarin het eerste lid de smaak (een vruchtsoort) aanduidt", waarna een aantal representatieve samenstellingen wordt vermeld. Voor afleidingen met woorddelen als her- of -heid geldt iets vergelijkbaars. Met het voorvoegsel her- bijvoorbeeld kunnen talloze nieuwe werkwoorden worden gevormd (heraanbesteden, heraanbetalen, heraanbevelen, heraanbidden, heraanbieden, heraanbouwen ...), waarvan de betekenis regelmatig is ("opnieuw" + werkwoord). Als gevolg van hun transparantie zijn ook deze afleidingen niet als zelfstandige ingangen in de Grote Van Dale opgenomen. Wel is het voorvoegsel her- opgenomen met een beschrijving van het betekenispatroon van de afgeleide werkwoorden hiermee – "als voorvoegsel waarmee van ww. of zn. nieuwe ww. of zn. worden afgeleid die betekenen: de door het grondwoord genoemde handeling weer, opnieuw, nog eens (en daardoor anders) verrichten" – en een representatief aantal afleidingen. Deze vorm van taalbeschrijving is economisch, waardoor de beschikbare ruimte in het woordenboek optimaal benut kan worden voor een uitvoerige behandeling van de trefwoorden die wel verklaringsbehoeftig zijn.

Die verklaringsbehoeftige woorden zijn woorden die in de algemene taal in een bepaalde betekenis of in verscheidene betekenissen ingeburgerd zijn en waarvan de betekenis niet automatisch volgt uit de samenvoeging van bijvoorbeeld samenstellende delen. Voorbeelden daarvan zijn aardbeienneus ('rode, ontstoken neus') en aardbeivlek ('zeker bloedvatgezwel'). Ook vaktalige of groepstalige taalvormen die met een zekere regelmaat in de algemene taal aangetroffen kunnen worden (denk aan medische vaktermen, die bijvoorbeeld in arts-patiëntcommunicatie voorkomen), worden in de Grote Van Dale beschreven. Ten slotte worden in de Grote Van Dale ook verouderde taalvormen beschreven: woorden, betekenissen en verbindingen die ooit in de beschrijvingsperiode (ca. 1880-heden) langere tijd tot de algemene taal behoorden en die bijvoorbeeld nog steeds in belangrijke historische documenten en oudere maar nog steeds gelezen literatuur kunnen worden aangetroffen.

De omvang van de in de Grote Van Dale beschreven woordenschat is de laatste decennia min of meer gelijk gebleven, terwijl er in elke editie duizenden nieuwe woorden en betekenissen zijn bij gekomen. Dat de woordenschat niettemin gelijk gebleven is, komt doordat tegenover de vele toevoegingen ook vele schrappingen staan. Hoewel de Grote Van Dale zich ten doel stelt het bezonken talige erfgoed te beschrijven en derhalve een conserverende functie heeft, blijken in elke editie woorden – vooral samenstellingen en afleidingen – al zo lang niet meer in gebruik dat ze niet meer kunnen worden gerekend tot de taal die in de beschrijvingsperiode van het woordenboek algemeen gangbaar is (geweest). Door de periodieke schrappingen en toevoegingen in de opeenvolgende edities van het woordenboek beschrijft de Grote Van Dale niet alleen de gangbare taal in de beschrijvingsperiode, maar beogen de elkaar opvolgende edities van het woordenboek ook een steeds verschuivend tijdsbeeld van de taalwerkelijkheid te geven.

Wat zijn de verschillen tussen de Grote Van Dale en het Van Dale Groot woordenboek hedendaags Nederlands?

De Grote Van Dale geeft het Nederlands vanaf 1880. Dit woordenboek inventariseert woorden en hun betekenissen van toen tot nu in hun historische ontwikkeling, en handhaaft de woorden - ook als ze in onbruik raken - om je bij het lezen van oudere teksten niet in de steek te laten. Het Van Dale Groot woordenboek hedendaags Nederlands geeft wat minder informatie over woordgeschiedenis, is meer spreektalig georiënteerd, heeft gestreefd naar een effectiever opzoeksysteem, is toleranter in het opnemen van nieuwe woorden, heeft de omvang van encyclopedische informatie gereduceerd en gaat uit van de taalwerkelijkheid van Nederlandssprekenden sinds omstreeks 1950.

De verschillen op een rijtje:

Van Dale Groot woordenboek van de Nederlandse taal

  • de woordenschat sinds omstreeks 1880
  • traditioneel, degelijk
  • gedetailleerde omschrijvingen en encyclopedische informatie
  • kritischer in het opnemen van nieuwe woorden; denkt ook aan lezers van oudere teksten en handhaaft de woorden langer
  • vollediger in het registreren van alle gesignaleerde samenstellingen
  • beschrijft gevestigd en 'historisch' Nederlands • weergave van ontstaan en ontwikkeling van de woordbetekenissen in het Nederlands
  • vollediger inventarisatie van anderhalve eeuw Nederlands, met veel literaire citaten
  • 4.300 pagina's
  • 232.000 trefwoorden
  • drie banden 

 

Van Dale Groot woordenboek hedendaags Nederlands

  • de woordenschat sinds omstreeks 1950
  • modern, zakelijk
  • beknopte omschrijvingen
  • toleranter in het opnemen van nieuwe woorden; denkt aan gebruikers van hedendaagse taal - beknopter in het opnemen van samenstellingen
  • bevat Nederlands dat in aanmerking komt om vertaald te worden in andere levende talen
  • gericht op snel en effectief opzoeken
  • selectiever en praktijkgericht op de taal van nu, ook de spreektaal
  • 1.600 pagina's
  • circa 85.000 trefwoorden
  • in twee banden

Ik overweeg om een vertaalwoordenboek te kopen. Raad je me een Groot woordenboek aan of een Middelgroot woordenboek?

Hoe dikker het woordenboek, hoe meer erin staat. Maar soms heb je genoeg aan de hedendaagse woorden of aan één trefzekere vertaling. Dikke woordenboeken, zoals de Grote woordenboeken van Van Dale, geven vaak meer informatie dan je nodig hebt. Voor veeleisende woordenboekgebruikers als linguïsten, docenten, beroepsvertalers, zakenmensen en dergelijke, is zo'n volledig woordenboek onontbeerlijk. Zij moeten bijvoorbeeld ook de minder gebruikelijke of de slechts plaatselijk gebruikte vertalingen kunnen vinden, zoals Oostenrijks Duits of Canadees Engels.

Voor gebruik thuis en op school, en voor het lezen van buitenlandse lectuur kan die overvloed aan informatie te veel van het goede zijn. Om die reden zijn er de Middelgrote woordenboeken van Van Dale, waarin de hoeveelheid informatie op een zodanige manier is teruggebracht, dat je vooral voordeel zult hebben van die beperking. Alle gewone, veel gebruikte woorden en uitdrukkingen zijn in de Middelgrote woordenboeken opgenomen, met in de vertaalwoordenboeken ten minste één trefzekere vertaling. Je komt dus niet om in een veelheid aan informatie, maar je zult ook vrijwel nooit misgrijpen.