Onzinkbaar

Op 15 april 1912 zonk de Titanic. Een gebeurtenis die de wereld schokte. In de eerste plaats natuurlijk door het grote aantal slachtoffers (meer dan 1500), maar ook doordat dit gloednieuwe schip, dat aan zijn eerste reis bezig was, door de reder als onzinkbaar werd bestempeld. Die hoogmoed kwam voor de val.

Onzinkbaar, het woord stond toen nog niet in Van Dale. Daarin verscheen het pas in 1950, met als doeltreffende uitleg 'niet kunnende zinken', de verklaring die het woord ook nu nog heeft.

Dat 'onzinkbaar' is, behalve dat het hoogmoedig klinkt, ook in andere opzichten een raar woord. Er klopt iets niet helemaal aan, maar wat? Dat zit hem in het achtervoegsel -baar. In het Nederlands kan dat gewoonlijk alleen worden gecombineerd met werkwoorden die een lijdend voorwerp bij zich hebben (in vaktaal: overgankelijke of transitieve werkwoorden). Je eet iets en dat iets is eetbaar. Je denkt iets en dat is denkbaar. Maar je kunt niet iets zinken. Waarom noemen we de Titanic dan toch onzinkbaar?

De verklaring vinden we in het Engels. In die taal kun je namelijk wel iets zinken. 'To sink' kan onovergankelijk worden gebruikt ('naar de bodem zakken'), maar ook overgankelijk. Dan betekent het 'tot zinken brengen' en daar hoort een lijdend voorwerp bij: je brengt íéts tot zinken. Vandaar dat je in het Engels het achtervoegsel -able (het equivalent van ons '-baar') met 'to sink' kunt combineren tot 'unsinkable'. Een schip dat unsinkable is, kan niet tot zinken worden gebracht. Ons 'onzinkbaar' is daarvan een niet zo elegante vertaling, of zo u wilt een anglicisme. Maar het woord is zo ingeburgerd dat alleen een kniesoor daar nog over valt.