Rijmen met Van Dale

Bij het maken van een gedicht, kun je je het hoofd breken over: 


Onderwerp 
Het onderwerp is soms het lastigste onderdeel van een gedicht. Het kan helpen om eerst wat ideeën en invallen op te schrijven: positieve of negatieve eigenschappen van iemand, hobby’s, een anekdote, een vakantieverhaal. Het cadeau zelf is meestal ook een goed aanknopingspunt, of iemands verlanglijstje. Je kunt dan bijvoorbeeld proberen een aantal verschillende wensen in je gedicht met elkaar te verbinden. Het geeft niet als dat een onzinnig verhaal oplevert, dat maakt het juist leuk.

Rijmvormen
Rijm is gelijkheid van klank binnen groepen woorden of regels. Je kunt woorden en regels op verschillende manieren laten rijmen. 

* Bij mannelijk of staand rijm vallen rijm en klemtoon op de laatste lettergreep van het woord of de regel:

Sint had het heel erg zwaar
En van de Zeurpiet werd hij gaar.

Piet zag eindelijk het licht,
Nu alleen nog een gedicht.

* Bij vrouwelijk of slepend rijm vallen klemtoon en rijm op de voorlaatste lettergreep, dus na de beklemtoonde lettergreep volgt nog een onbeklemtoonde lettergreep:

Sint heeft heel lang zitten denken
Wat hij Piet dit jaar zou schenken.

Na kilometers rondjes lopen,
Ging hij een cadeautje kopen.

* Bij onzijdig of glijdend rijm volgen na de beklemtoonde lettergreep nog twee onbeklemtoonde lettergrepen:

Als Piet begint te fluisteren,
Moet je heel goed luisteren.

Andere voorbeelden van onzijdig rijm zijn: kinderen / minderen of handelen / wandelen.

Dat bij onzijdig rijm de beklemtoonde lettergreep rijmt, is trouwens niet verplicht. Woorden als ongeduld / aangevuld rijmen ook prima. Of mee-eter / betweter. Of pakjesboot / pepernoot / kikkersloot / tafelpoot. Daarbij ligt de klemtoon op de eerste lettergreep en het rijm op de laatste.

Als je vastloopt, kun je een beetje smokkelen met zogenaamd halfrijm, dan zijn alleen de klinkers gelijk [klinkerrijm, assonantie]:
man / kam
geven / nemen

Je kunt ook alleen de medeklinkers laten rijmen [medeklinkerrijm, acconsonantie], maar in een gedicht klinkt dat vaak minder goed:
geliefd / geloofd
damp / romp
Binnen woorden werkt dergelijk rijm vaak beter: wirwar, zigzag, rombom, piefpafpoef.

Een bijzondere rijmvorm is oogrijm. Dat zijn woorden die op papier, dus voor het oog, wel rijmen, maar voor het oor niet, omdat ze heel verschillend uitgesproken moeten worden. Eigenlijk fout, maar in een sinterklaasgedicht kan het heel grappig zijn omdat je de lezer op het verkeerde been zet.

In Scheveningen op de boulevard
vond Piet laatst zomaar een miljard. 

Minder fijn is de geur van remover
Die gepaard gaat met elke make-over.

Andere voorbeelden: pepernoot en moonboot of fastfood. Je hebt er niet per se Frans of Engels voor nodig, het werkt ook met Nederlands, bv.  kinderen en blinderen.

Rijmschema
Een rijmschema biedt houvast. Een heel bekend schema laat de regels twee aan twee rijmen: AA BB CC DD enz. [gepaard rijm] 

A Sint heeft heel lang zitten denken
A Wat hij Piet dit jaar zou schenken.
B Niet één dag, of drie, maar  zes of zeven,
B Wat zou hij Piet deze keer kunnen geven?

Je kunt de dichtregels ook om en om laten rijmen: AB AB CD CD [gekruist rijm].

A Sint heeft heel lang zitten denken,
B Niet één dag, of drie, maar  zes of zeven.
A Wat zou hij Piet dit jaar kunnen schenken?
B Wat zou hij hem deze keer kunnen geven?

C Na kilometers rondjes lopen,
D Zag Sint eindelijk het licht.
C Deur uit, cadeautje kopen,
D Nu alleen nog een gedicht.

De eenvoudige variant daarvan laat alleen de even regels rijmen: AB CB [gebroken rijm]

A Twee weken op de pakjesboot,
B De Sint die had het zwaar:
C Het was er koud, het was er nat
B En van de Zeurpiet werd hij gaar.

Nog een ander schema, minder bekend, laat de regels gespiegeld rijmen: AB BA [omarmend rijm]. 

A Niet één dag, of drie, maar  zes of zeven,
B Heeft de Sint heel diep zitten denken:
B Wat zou hij Piet dit jaar kunnen schenken?
A Wat zou hij hem deze keer kunnen geven?

In een sinterklaasgedicht heb je veel vrijheid, dus als het zo uitkomt, kun je een combinatie van deze rijmschema’s toepassen en zo je eigen schema bedenken.

Metrum
Om een gedicht goed te laten lopen, én goed te laten voorlezen, kun je gebruikmaken van metrum, ook wel ritme of cadans genoemd. Dat is de afwisseling van beklemtoonde en onbeklemtoonde lettergrepen in een bepaald patroon. Veelvoorkomende patronen zijn:

jambe – klemtoon op even lettergreep [zwak-sterk]

Naar bed, naar bed, zei Duimelot

trochee – klemtoon op oneven lettergreep [sterk-zwak]
Sinterklaas kapoentje, gooi wat in m’n schoentje
Sinterklaas, goedheilig man
Sint heeft heel lang zitten denken …

dactylus – klemtoon op de 1e van drie lettergrepen [sterk-zwak-zwak]
Eerst nog wat eten, zei Likkepot

anapest – klemtoon op de 3e van drie lettergrepen [zwak-zwak-sterk]
In het diepst van het woud
’t Was al herfst en erg koud
Liep een heer in zijn eentje te dwalen (Piet Paaltjens)

amfibrachys – klemtoon op de 2e van drie lettergrepen [zwak-sterk-zwak]
Zie, ginds komt de stoomboot uit Spanje weer aan
Waar zal ik het halen, zei Langejaap
In grootvaders kastje, zei Ringeling
Dat zal ik verklappen, zei ’t Kleine Ding

Je hoeft niet het hele gedicht één bepaald metrum vol te houden (kijk maar naar Duimelot), dus ga er flexibel mee om.

Lees je gedicht af en toe hardop. Dan hoor je beter welke zinnen ritmisch wel en niet goed lopen.

Tips en trucs
Tip 1. Gebruik een bestaand lied of gedicht als basis. Dan heb je al twee vliegen in één klap: een rijmschema en een goed metrum (ritme). En de herkenning zorgt vaak voor extra plezier.

Als je de titel van het origineel vermeldt, kun je je gedicht zelfs laten zingen (extra surprise).
(wijs: De kat van ome Willem)

De mama van Margootje is op reis geweest (op reis geweest, op reis geweest)
Ze is voor zeven dagen naar Parijs geweest
Waar ging ze dan naartoe?

Tip 2. Gebruik een rijmwoordenboek, bv. het online Rijmwoordenboek van Van Dale: dat is gebaseerd op de Dikke Van Dale en geeft niet alleen heel veel rijmwoorden, maar ook uitdrukkingen waar je zelf niet zo gauw opkomt: 

R. heeft heel erg lange manen,
Maar die werken niet altijd mee.
Soms bezorgen ze je tranen
En dan heb je een bad hair day.
Je lok zit scheef of je vlecht in de klit,
Compleet gestoord word je ervan.
En als de klok óók nog tegenzit,
Tja, dan slaat de vlam in de pan.
Hier is dus iets anders nodig
En dat zit in dit pakje.
Antiklit wordt overbodig,
appeltje-eitje, kat in het bakje.

Tip 3. Gebruik een synoniemenwoordenboek: soms past een synoniem woord beter in de tekst of kun je er makkelijker op rijmen, bv. misschien " mogelijk, wellicht of twaalf " dozijn.

Tip 4. Tot slot: rijmschema en metrum kunnen enorm helpen bij het maken van een gedicht, maar als je vastloopt, kunnen ze ook gaan knellen. Dat is natuurlijk niet de bedoeling, dus laat die dwang dan los. Dan maar geen perfectie.

Succes en vooral heel veel plezier!

Marjan Arts, eindredacteur Dikke Van Dale