koopkrachtsnoepje

19-09-2018 - Woord van de Dag - Van Dale Uitgevers

koopkrachtsnoepje

Alle kranten schrijven vandaag over de rijksbegroting en de miljoenennota. Een feestbegroting oordelen sommige commentatoren, een opinieschrijver in het Financieele Dagblad houdt het op een mooiweerbegroting, een nog vrij onbekend woord voor wat ook wel een jubel– of juichbegroting wordt … Lees verder

Alle kranten schrijven vandaag over de rijksbegroting en de miljoenennota. Een feestbegroting oordelen sommige commentatoren, een opinieschrijver in het Financieele Dagblad houdt het op een mooiweerbegroting, een nog vrij onbekend woord voor wat ook wel een jubel– of juichbegroting wordt genoemd.

Er zijn natuurlijk ook commentatoren die vinden dat de burger juist te weinig profiteert van de ‘economische rugwind’, terwijl economische zwartkijkers – of zo u wilt realistische economen – erop wijzen dat het kabinet eenmalige meevallers op een onverstandige manier aan het verjubelen is door er structurele uitgaven mee te financieren.

Veel nieuwe woorden leveren de rijksbegroting en de miljoenennota vanochtend echter niet op in de kranten, of het moest het woord koopkrachtsnoepje zijn, dat vanochtend zijn debuut maakt in De Volkskrant:

Hoewel de regering dus geld opzijzet voor de hongerwinter, heeft zij toch geld weten te vinden voor extra koopkrachtsnoepjes. Daardoor gaan gezinnen er in doorsnee niet 1,3 maar 1,5 procent in koopkracht op vooruit. Het kabinet heeft de burgers op de valreep ruim 700 miljoen euro cadeau gedaan door minder inkomstenbelasting te heffen dan eerder gepland. Ook mkb-ondernemers krijgen een onverwacht belastingcadeautje in box 2.

Koopkrachtsnoepje is een metafoor voor een financiële meevaller voor de burger waardoor diens koopkracht stijgt. Koopkrachtsnoepje herinnert aan de uitdrukking het snoepje van de week waarmee grootgrutter De Gruyter vroeger klanten aan zich bond en naar zich lokte. Het gebruik van koopkrachtsnoepje suggereert dan ook dat De Volkskrant vindt dat het kabinet de burger probeert te paaien door hem wat meer financiële speelruimte te geven.

Koopkrachtsnoepje is gevormd met snoepje in de metaforische betekenis ‘iets extra’s om iemand tevreden te stellen, te troosten of een teleurstelling te verzachten’. Heel in de verte herinnert snoepje in deze betekenis aan de uitdrukking een doekje voor het bloeden.

Financiële en fiscale snoepjes

Je treft het woord snoepje de laatste tijd trouwens vaker aan in deze metaforische betekenis. Zo had columnist Theodor Holman het in mei van dit jaar in Het Parool over een financieel snoepje:

We moeten de aller-aller- allerarmste leren dat werken goed voor hem is, zoals je een hond zindelijk moet maken. Dus we verlagen de uitkering, en iedere keer dat de aller-aller-allerarmste wat goed doet, waarderen we dat. Dan geven we hem een financieel snoepje. Zo kun je een hond ook alles leren.

Ook in België is de metafoor bekend. Zo schreef het Belgische economische tijdschrift Trends in juni van dit jaar:

Waarom ook niet nadenken over een fiscaal snoepje? Dat kan België weer op de kaart zetten. Zo’n snoepje kan bijvoorbeeld de afschaffing van de roerende voorheffing op dividenden zijn.

Koopkrachtsnoepje is misschien een gelegenheidssamenstelling die we mogen negeren, maar snoepje in de metaforische betekenis ‘maatregel om iemand te paaien’ zou weleens een vaste waarde in onze taal kunnen worden.

Definitie

koopkrachtsnoepje (het, -s) financiële meevaller voor de burger waardoor diens koopkracht stijgt, al dan niet met de bijgedachte dat deze meevaller bedoeld is om de burger te paaien of de financiële pijn van een ander economisch verschijnsel (bv. inflatie) te verzachten


kantlijnsporter

18-09-2018 - Woord van de Dag - Van Dale Uitgevers

kantlijnsporter

‘Een kantlijnsporter komt tot leven’, schreef Marijn de Vries gisteren in haar wekelijkse column in Trouw. Die column ging over motorcross en dan vooral over de eerste Nederlander die afgelopen weekend wereldkampioen werd in de koningsklasse MXGP. De Vries dacht terug aan … Lees verder

‘Een kantlijnsporter komt tot leven’, schreef Marijn de Vries gisteren in haar wekelijkse column in Trouw. Die column ging over motorcross en dan vooral over de eerste Nederlander die afgelopen weekend wereldkampioen werd in de koningsklasse MXGP. De Vries dacht terug aan een programma dat ze tien jaar geleden zag, toen Herlings schitterde op het Open Nederlands Kampioenschap.

Presentator Wilfried de Jong wil zijn motor bekijken. Het brullen horen. Jeffrey heeft al meer bravoure dan we als redactie hadden durven dromen, maar vergeet de veiligheidspin. Die moet erin, in de motor, om het ding weer te starten en te laten grommen. Met een klein stemmetje geeft een beschaamde Jeffrey dat live in de uitzending toe. Start zijn motor alsnog. Huuunghuuung hang hang hang! De studio schudt en trilt.

Nadien bleef ze de motorcrosser ‘vanaf de zijlijn volgen’:

Motorcross is geen grote sport, Jeffrey komt zelden verder dan een kortje in de kantlijn van de krant. Hij wint. Hij wint weer. En nog een keer. Hij breekt iets. Breekt nog wat. En nog een keer. En nu, nu is de kantlijnsporter wereldkampioen. ‘In de hoogste klasse in mijn sport’, zegt hij er – zich bewust van het gebrek aan kennis bij het gemiddelde publiek – in elk interview bij.

Kantlijnsporter is een prachtig woord voor iemand die een marginale sport beoefent, een kantlijnsport. Kantlijnsporter heeft niet eerder in een Nederlandstalige krant gestaan, maar kantlijnsport troffen we één keer eerder aan, in een column van Mart Smeets uit 2016.

Kantlijnsport klinkt veel vriendelijker dan marginale sport. Niet alleen omdat aan kantlijn nu eenmaal niet de ongunstige negatieve bijklank van het ook geregeld figuurlijk gebruikte woord marge kleeft, maar tevens omdat het wat ondubbelzinniger verwijst naar de kolommen aan de rand van de krantenpagina. Iets vergelijkbaars geldt voor kantlijnsporter, de beoefenaar van zo’n kantlijnsport. Zo’n kantlijnsport zou je ook wel een margesport kunnen noemen, een woord dat trouwens op 5 maart 2015 debuteerde – in een figuurlijke toepassing nog wel – in NRC Handelsblad:

Helaas doen we het in Nederland zonder historisch gesteunde toneelliteratuur. Dat is ook de reden dat het Nederlands theater, hoe hard we ook ons best doen, hoe hoog de kwaliteit ook is, in wezen een margesport is.

Omdat margesport zo’n voor de hand liggend synoniem is van marginale sport, zal dat woord in de spreektaal wel spontaan zijn ontstaan en al langer in omloop zijn. Kantlijnsport en kantlijnsporter zijn daarentegen zo origineel dat iemand deze woorden wel bewust bedacht moet hebben. Het zou mooi zijn als ze beklijven.

Definitie

kantlijnsporter (de, -s) iemand die een sport beoefent waarvoor het publiek en de media doorgaans weinig aandacht hebben en waarover in de kranten hooguit kleine berichten verschijnen