Welke, hetwelk, welker en welks

Bij het voetballen mislukt een aanval niet zelden doordat een actie net iets te lang wordt doorgezet. Nog even die tegenstander uitspelen en dan ... Helaas, het was er net eentje te veel. De aanval sterft in schoonheid.

Zo ook komen veel taalfouten voort uit het feit dat men het net even te mooi wil doen. Een lokaal advertentieblad schrijft: 'Sinds enige weken zijn bouwvakkers en installateurs druk aan het werk in het [...] pand welke is gevestigd aan de Stationsstraat 12.' Welke? Dat klinkt wel heel plechtig in zo'n alledaags zinnetje. Sterker: het is nog fout ook. Want hoe luidt ook alweer de regel voor dit betrekkelijk voornaamwoord? Bij zelfstandige naamwoorden met 'de' gebruik je 'welke', maar als het lidwoord 'het' is, moet je 'hetwelk' gebruiken. Correct is dus: het pand hetwelk ...

Nog ingewikkelder wordt het als er een bezitsrelatie moet worden uitgedrukt. Bij de-woorden kan dat alleen als het gaat om een persoon van het vrouwelijk geslacht: de vrouw welker huis instortte. Bij het-woorden kun je 'welks' gebruiken: het huis welks dak is ingestort.

Betrekkelijke voornaamwoorden met 'welk' doen behoorlijk ouderwets aan en je gaat er snel de fout mee in. Verzin dus liever een alternatief, dat klinkt meestal veel natuurlijker: het pand dat is gevestigd aan de Stationsstraat, de vrouw van wie het huis instortte, het huis waarvan het dak is ingestort.