WVDD: soorteling

‘Waarom zijn wij soortelingen geworden?’ staat vandaag boven de column van Marjoleine de Vos in NRC Next. Het lijkt een doodgewoon woord, soorteling, maar in werkelijkheid is dit familielid van dorpeling, stedeling, westerling en wereldling vrijwel onbekend. Vrijwel, want lezers van het werk van de schrijfster Andreas Burnier, vooral dat van haar verhalenbundel Een tevreden lach, kennen het wel:

Waar is het allemaal gebleven, de tijd dat wij onszelf als Ik konden ervaren, de mensen en de goden waardig? Waarom zijn wij soortelingen geworden, man of vrouw, van deze of gene klasse, van dit of dat beroep, westers, twintigste-eeuws, Euro-amerikaans soortdier? Eens hebben wij onszelf als mens gezien: hemelhoog en verankerd in de aarde.

Marjoleine de Vos gebruikt soorteling in verband met de identiteitenkwestie, die de laatste jaren belangrijk is geworden:

Wonderlijk eigenlijk dat identiteit nu zo allesbepalend lijkt te zijn, seksuele, etnische, sociale.

Drie jaar geleden werd het citaat van Andreas Burnier (een pseudoniem van professor criminaliteit Catharina Irma Dessaur, 1931-2002) ook al eens aangehaald, toen in De Groene Amsterdammer. Daarin schreef hoofdredacteur Xandra Schutte naar aanleiding van de genderdiscussie:

Al kunnen we nu op oneindig veel manieren vrouw en man zijn, homoseksueel en heteroseksueel naarmate we ouder worden, dan nog komen we in een trechter terecht en raken de onbeperkte mogelijkheden die we als ‘kosmisch-embryonaal wezen’ hebben steeds meer ingesnoerd.

De Vos en Schutte gebruiken soorteling in ongeveer dezelfde betekenis. Het is weliswaar geen courant woord, maar je kunt je wel voorstellen dat het met het oog op het toenemende belang van identiteit vaker gebruikt zal gaan worden ter aanduiding van iemands groepsidentiteit.

Soortgenoot?

Vóórdat Andreas Burnier het woord in het aangehaalde citaat gebruikte, werd het al eens aangetroffen in de betekenis ‘soortgenoot’ in een gedicht van een zekere P.M. van Eekelen:

De strenge winter is voorbij
Bij vogels gaat de man weer zingen
En doet als alle soortelingen
Hij zoekt al zingende een zij

In een krant uit 1922 wordt soorteling in dezelfde betekenis gebruikt, maar ook in deze toepassing is het woord nooit courant geweest.

In de uitgave Bewoonde werelden (1927) schrijft Dr. C.G.A. Valewink over ‘den mensch, die zich in den Renaissancetijd ontwikkeld heeft van soorteling of groepssujet tot individu’. Hij gebruikte soorteling dus toen al  in een betekenis die aansluit bij die waarin Burnier zich van het woord bedient: groepsdier. Blijkbaar leent soortelingzich goed voor deze betekenis. Treffend overigens dat de ‘zuilen’ uit de duistere middeleeuwen zoveel overeenkomst vertonen met de hedendaagse, soms ietwat sektarisch beleefde groepsidentiteiten.

Omdat het aantal vindplaatsen van het woord soorteling de vingers van twee handen niet overstijgt, is soorteling (nog lang) niet woordenboekwaardig. Maar als identiteit inderdaad steeds belangrijker wordt, zoals De Vos zegt, zal er vast nog weleens een woord moeten komen voor de door zijn sociale, etnische, seksuele, culturele, religieuze identiteit e.d. gekenmerkte mens.

Definitie

soorteling

(m, -en) iemand voor zover hij tot een groep of soort mensen gerekend kan worden op grond van zijn sociale, etnische, seksuele, culturele, religieuze identiteit

Ton den Boon, hoofdredacteur Dikke Van Dale

Het Woord van de Dag (#WVDD) wordt mede mogelijk gemaakt door Taalbank.nl. Dit artikel is ook te vinden op de website van Taalbank.nl.